vrijdag 27 mei 2011
maandag 24 januari 2011
Licht
Het is stil, heel stil in onze klas. Wij eten. Wij zijn gefocussed. De startknop van Geoffry’s elro doorbreekt de stilte. Langzaam stuurt hij zijn elro achteruit van tafel en rijdt naar het lichtknopje. Wij hebben niks door. Zijn arm gaat moeizaam omhoog richting het lichtknopje. Doordat hij eigenlijk erg moet lachen, maar dat niet te openlijk wil doen, valt zijn arm terug op het blad. Wij hebben niks door. Keer op keer reikt zijn arm naar het knopje totdat…het licht uit gaat. “Hee!!!”, roep ik. Verschrikt kijken Sandra en ik elkaar aan. Onze leerlingen, die natuurlijk alles doorhebben, zijn door het dolle. “Het licht!?!”, zeg ik tegen Sandra, “Wie doet dat?”. Om ons heen stuiteren de leerlingen in het rond en wijzen naar Geoffry. Het wordt nog leuker als ik Geoffry met veel theater bij het knopje weghaal “Wat moet dat daar bij dat licht!!! Potverdriedubbeltjes!!! Weg daar!”. Als Geoffry weer bij tafel staat eten we verder. Dan start Babette haar elro, bonkt drie keer tegen de tafel en neemt onderweg naar het lichtknopje met haar elro het computermeubel mee terwijl ze roept “Hosé!! Hicht uit”. Wij hebben voor de vorm niks door. Met een enorme pets dreunt ze het licht uit en we spelen het spel van voren af aan. “Weg jij, bij dat licht!! Schurkekop!!!” Als Babette aan tafel zit staat Nesile op. Met haar looprek rent ze richting het knopje. Rammel schuif ratel. Rammel schuif ratel. Wij hebben niks door. Eenmaal op de plaats van bestemming gebaart ze naar de onzichtbare vrienden dat ze het licht uit gaat doen. Allemaal opletten, jongens! Dit wordt lachen! En jawel,… het licht gaat weer uit. Sandra en ik spelen onze rol met verve. Dan gaat Nadine schuddend van plezier naar het knopje en dan Quincy en iedere keer overvalt het ons als het licht uit gaat. Het plezier in de groep weerkaatst tegen de muren en komt duizenvoudig bij ons terug. Dit spel kan doorgespeeld worden tot in de eeuwigheid.
“Zo jongens, nu is het even klaar hoor…” Onze leerlingen denken daar anders over en wijzen als één man naar Suzanne. Zij kan niet zelf naar het lichtknopje gaan. “O”, zeg ik tegen Sandra, “Volgens mij wil Suzanne ook naar het lichtknopje”. Suzanne strekt zich van plezier en kijkt stralend naar Sandra.
“OK, suus”, zegt Sandra en zet haar bij het lichtknopje neer. Suzanne giert het uit als Nadine haar arm naar het lichtknopje hijst.
Wij hebben niks door.
“Zo jongens, nu is het even klaar hoor…” Onze leerlingen denken daar anders over en wijzen als één man naar Suzanne. Zij kan niet zelf naar het lichtknopje gaan. “O”, zeg ik tegen Sandra, “Volgens mij wil Suzanne ook naar het lichtknopje”. Suzanne strekt zich van plezier en kijkt stralend naar Sandra.
“OK, suus”, zegt Sandra en zet haar bij het lichtknopje neer. Suzanne giert het uit als Nadine haar arm naar het lichtknopje hijst.
Wij hebben niks door.
zondag 12 september 2010
Onderbroek
Op een nacht word ik wakker en weet ik niet waar ik ben. Het is donker en het bed waarin ik lig is nat. Iemand moet me komen helpen. Ik wil mijn moeder of mijn vader, maar ik weet niet of zij er zijn. Plotseling zie ik dat ik bij mijn oma ben. Zijn papa en mama ook hier? Ik weet het niet meer en begin maar vast te huilen. Ben ik hier helemaal alleen? Een nat bed is niet goed. Iemand zal boos op me zijn. Als er iemand komt. Ik huil wat harder. Het vooruitzicht dat er iemand komt om mij te helpen met dat natte bed vind ik ineens niet zo aantrekkelijk meer. Papa en mama slapen en zullen wakker worden door mijn gehuil. Als zij hier tenminste ook zijn. Zij slapen liever ’s nachts en hebben geen zin in een nat bed. Toch huil ik nu heel hard en roep om mijn moeder en mijn vader. Omstebeurt. Ik zet me alvast schrap om een hoop irritatie in ontvangst te nemen.
Dan gaat de deur open en… mijn oma komt binnen! Ze ziet er verfrommeld en slaperig uit. De donkere logeerkamer licht op bij haar entree. Ik hou nog een slag om de arm, is ze boos?
“Ach wicht, dat geeft toch niet”, neuriënd en ontspannen verschoont ze het bed. Ik sta ernaast en kijk hoe ze dat doet. Ik hou van haar.
“Nog even blijven staan. Ik moet even naar beneden om een schone onderbroek voor jou te zoeken”.
Ze komt terug met een gloednieuwe onderbroek. Wit met groene figuurtjes en een oranje kantje. Het is de mooiste onderbroek die ik ooit heb gezien en ik mag hem houden.
Dertig jaar later zit ik naast haar bed. “Ik weet soms even niet waar ik ben”, zegt ze “Heb jij dat ook wel eens?”. Ze moet lachen om haar eigen warrigheid. Soms gelooft ze ineens niet dat ze in haar eigen slaapkamer ligt. Ze ziet de lamp aan het plafond, kijkt me verheugd aan zegt:”Wat leuk! zo’n lamp heb ik ook in mijn slaapkamer”. Gelukkig zijn de heldere momenten weer aan de winnende hand. Het gaat elke dag een beetje beter. Neuriënd maak ik haar eten klaar. Ontspannen help ik haar samen met mijn tante in een schone pant. “Het lichaam is een wonderlijk iets”. Tevreden kijkt ze naar haar lijf onder de dekens. “Dit lichaam gaat al 91 jaar mee en het herstelt zich iedere keer weer. Een wonder, José!” “Ik ga de eeuw nog volmaken hoor”…
Ik zit naast haar bed en brei. Zij zingt, lacht en vertelt.
Ik hou van haar.
Dan gaat de deur open en… mijn oma komt binnen! Ze ziet er verfrommeld en slaperig uit. De donkere logeerkamer licht op bij haar entree. Ik hou nog een slag om de arm, is ze boos?
“Ach wicht, dat geeft toch niet”, neuriënd en ontspannen verschoont ze het bed. Ik sta ernaast en kijk hoe ze dat doet. Ik hou van haar.
“Nog even blijven staan. Ik moet even naar beneden om een schone onderbroek voor jou te zoeken”.
Ze komt terug met een gloednieuwe onderbroek. Wit met groene figuurtjes en een oranje kantje. Het is de mooiste onderbroek die ik ooit heb gezien en ik mag hem houden.
Dertig jaar later zit ik naast haar bed. “Ik weet soms even niet waar ik ben”, zegt ze “Heb jij dat ook wel eens?”. Ze moet lachen om haar eigen warrigheid. Soms gelooft ze ineens niet dat ze in haar eigen slaapkamer ligt. Ze ziet de lamp aan het plafond, kijkt me verheugd aan zegt:”Wat leuk! zo’n lamp heb ik ook in mijn slaapkamer”. Gelukkig zijn de heldere momenten weer aan de winnende hand. Het gaat elke dag een beetje beter. Neuriënd maak ik haar eten klaar. Ontspannen help ik haar samen met mijn tante in een schone pant. “Het lichaam is een wonderlijk iets”. Tevreden kijkt ze naar haar lijf onder de dekens. “Dit lichaam gaat al 91 jaar mee en het herstelt zich iedere keer weer. Een wonder, José!” “Ik ga de eeuw nog volmaken hoor”…
Ik zit naast haar bed en brei. Zij zingt, lacht en vertelt.
Ik hou van haar.
dinsdag 31 augustus 2010
Fout
Het eten verloopt rustig vandaag. Sandra vertelt mij iets grappigs en ik moet daarom lachen. Ik moet er lang om lachen. Dan word ik opgeschrikt door een ferme klap op tafel. “Sjosee!!!”, roept Nesile. Ze kijkt me boos aan. “Pas op!”, roept ze en ze gebaart er stevig bij. Dit lijkt menens. Ik lach naar haar maar ze is niet te vermurwen. Ik zit goed fout. Met een wijds gebaar van haar arm geeft ze me te kennen dat ik van tafel moet gaan. Ik schud nee. “Jaha”, knikt ze vastbesloten en onverbiddelijk “Sjosee, pas op…fout…roepen is fout, klaar!!, van tafel jij! Gebaart ze weer. Ik rij met mijn rolkruk naar achteren tot ik op de time out plaats van Quincy zit. De andere leerlingen kijken zeer verbaasd en lijken niet te weten of ze dit grappig of eng moeten vinden. Nesile valt even uit haar rol als ze mij daar ziet zitten en gebaart “Maf”. Zij vindt deze situatie duidelijk komisch. Ze pakt haar rol weer op en begint te preken. Het ziet er serieus en herkenbaar uit. Ze heeft goed opgelet op de momenten dat ik boos op haar ben geweest. Uiteindelijk vraagt ze of ik klaar ben met roepen en geeft ze me nog één keer te verstaan dat dat geroep van mij fout is. Ik doe wat Nesile altijd tegen mij doet als we een conflict hebben. Ik zeg dat ik niet klaar ben met roepen, doe mijn armen over elkaar, span al mijn spieren en trek een lang gezicht naar haar. Een microseconde is ze verbaasd en moet ze even verwerken wat ze ziet. “Nee”, zegt ze “roepen is fout, jij moet daar blijven zitten”. Ik schud nee en dan gebeurt er een minuut lang niks. Het is heel stil in de klas. Nesile eet van haar boterham. Dan roep ik haar en zeg dat ik klaar ben met roepen. “Oooo, goed”, zegt ze en met een royaal gebaar word ik weer uitgenodigd aan tafel.
Run and hug
Het is lekker weer, wel koud, maar we kunnen best even naar buiten om een frisse neus te halen. Eenmaal op het plein rent Sandra een stuk vooruit. Midden op het plein blijft ze staan en roept: “ Wie komt er een knuffel halen?!?”
Dat laat Nadine zich geen twee keer zeggen. Ze neemt een fikse aanloop en stort zich in Sandra’s armen. De andere leerlingen zien het aan en stuiteren in hun stoel of rijden enthousiaste rondjes met hun elro al naar gelang hun mogelijkheden. Ik roep tegen Sandra:” Blijf staan, Suzanne wil ook!” Sandra gaat ervoor staan. Ik ren met Suzanne in de elro naar Sandra toe. Suzanne zet zich schrap in de stoel en giert het uit als ze door Sandra omhelst wordt. We zetten onze leerlingen in een horizontale rij waar één van ons voor gaat staan. Om de beurt mogen ze naar ons toe rennen, rijden of worden ze gereden om geknuffeld te worden. De enige spelregel is dat ze moeten wachten tot we tot drie geteld hebben en dan mogen ze naar ons toekomen. Dit is nog best moeilijk en zorgt voor komische situaties. We hebben heel veel lol.
Binnen praten we er nog over na. We zijn allemaal erg in onze nopjes met dit nieuwe zelfverzonnen spel.
“ Hee San, zullen we het “Run and hug” noemen?”, vraag ik. San vindt het goed.
Het is even stil. Dan begint naast mij Geoffry te brullen. “ Haaaaa!”, roept hij “ Ren en Hhhhhak!” Hij maakt er een flinke hakbeweging bij met zijn arm.
“ Hahaha, nee Geof “ Run and hug”, spreek ik overdreven engels uit. “ Ren en knuffel”, je spreekt toch engels?”
“ Nee, “Ren en hhhhak”, giechelt Geoffry. Weer die hakbeweging, maar nu in mijn richting. “Zeg!”, doe ik quasi verontwaardigt “ Je mag geen juffen omhakken. Zo gaat het spel niet!!!”
Geoffry ziet het inmiddels levendig voor zich. De rest van de ochtend horen wij dan ook bijna alleen nog maar “ Hhhhhak!!!” gevolgd door de beste armzwaai die hij kan maken.
Als hij ’s middags naar huis is schalt zijn lach ons nog na in de onze oren. Met zo’ n lach als beloning willen wij met liefde ten allen tijde door hem omgehakt worden.
Dat laat Nadine zich geen twee keer zeggen. Ze neemt een fikse aanloop en stort zich in Sandra’s armen. De andere leerlingen zien het aan en stuiteren in hun stoel of rijden enthousiaste rondjes met hun elro al naar gelang hun mogelijkheden. Ik roep tegen Sandra:” Blijf staan, Suzanne wil ook!” Sandra gaat ervoor staan. Ik ren met Suzanne in de elro naar Sandra toe. Suzanne zet zich schrap in de stoel en giert het uit als ze door Sandra omhelst wordt. We zetten onze leerlingen in een horizontale rij waar één van ons voor gaat staan. Om de beurt mogen ze naar ons toe rennen, rijden of worden ze gereden om geknuffeld te worden. De enige spelregel is dat ze moeten wachten tot we tot drie geteld hebben en dan mogen ze naar ons toekomen. Dit is nog best moeilijk en zorgt voor komische situaties. We hebben heel veel lol.
Binnen praten we er nog over na. We zijn allemaal erg in onze nopjes met dit nieuwe zelfverzonnen spel.
“ Hee San, zullen we het “Run and hug” noemen?”, vraag ik. San vindt het goed.
Het is even stil. Dan begint naast mij Geoffry te brullen. “ Haaaaa!”, roept hij “ Ren en Hhhhhak!” Hij maakt er een flinke hakbeweging bij met zijn arm.
“ Hahaha, nee Geof “ Run and hug”, spreek ik overdreven engels uit. “ Ren en knuffel”, je spreekt toch engels?”
“ Nee, “Ren en hhhhak”, giechelt Geoffry. Weer die hakbeweging, maar nu in mijn richting. “Zeg!”, doe ik quasi verontwaardigt “ Je mag geen juffen omhakken. Zo gaat het spel niet!!!”
Geoffry ziet het inmiddels levendig voor zich. De rest van de ochtend horen wij dan ook bijna alleen nog maar “ Hhhhhak!!!” gevolgd door de beste armzwaai die hij kan maken.
Als hij ’s middags naar huis is schalt zijn lach ons nog na in de onze oren. Met zo’ n lach als beloning willen wij met liefde ten allen tijde door hem omgehakt worden.
Hij's dood
Dit verhaal gaat over Babette. Ze is onze jongste. Soms is ze het kleine zusje van de groep en soms een diva met sterallures. Met haar manier van praten maakt ze ons vaak aan het lachen. Ze herhaalt het laatste woord van een zin die tegen haar gesproken wordt. Dat doet ze op een vragende manier. Bepaalde medeklinkers komen er ook anders uit dan ze ze bedoelt. Zo is een “hamphamp” een zaklamp en “ bandband” betekent plakband om maar eens een paar voorbeelden te noemen. Wij zeggen “Babetti” tegen haar, gewoon omdat we haar zo lief vinden.
Eens in de zoveel tijd gaat Babette logeren in het kinderhuis, Wijkersloot. Vandaag ook. Babette wordt de klas ingereden door Richard haar taxi chauffeur. Hij zeult een grote tas met zich mee.
“ Hosé?”, zegt ze verbaasd, terwijl ik er toch echt iedere ochtend sta.
“ Hee Babetti, wat heb je daar?”
“ Hiat”, zegt ze en wijst naar Richard.
“ Ja Richard. Wat heeft ie bij zich?”
“ Tas”.
“ Ja, wat een grote tas. Waarom heb je die mee?”
“ Hoferen! “, glundert ze.
“ Ga je logeren? Wat leuk! “
“ Hij’s dood!!!”, roept ze enthousiast.
Sandra en ik kijken elkaar verbaasd aan. Neemt het gesprek hier een andere wending? Is er iemand overleden. Haalt zij dingen door elkaar of gaat dit nog over het logeren? Ons gezicht is één groot vraagteken. Eigenlijk gek, want we weten dat ze op Wijkersloot gaat logeren, maar dat verband hebben wij op dit punt nog niet gelegd.
“ Wat bedoel je Babetti?”
“ Hij’s dood!”, meldt ze ons weer enthousiast.
“ Hè? Wie is er dood?”
“ Nee, Hij’s dood”.
Wij geven het even op. Babette niet. Gedurende de ochtend horen we regelmatig “Hij’s dood”.
Pas als ik Geoffry zijn boterham geef en Babette nogmaals zegt : “ Hosé, hij’ s dood”, valt bij mij het kwartje. “O”, zeg ik tegen Sandra, ze bedoelt: “Wijkersloot”. “ Ja!!!”, roept Babette: “ Hij’s dood”. Even is het stil. Dan spuugt Geoffry zijn brood uit van het lachen. Hij woont namelijk permanent op “Hij’s dood”.
Eens in de zoveel tijd gaat Babette logeren in het kinderhuis, Wijkersloot. Vandaag ook. Babette wordt de klas ingereden door Richard haar taxi chauffeur. Hij zeult een grote tas met zich mee.
“ Hosé?”, zegt ze verbaasd, terwijl ik er toch echt iedere ochtend sta.
“ Hee Babetti, wat heb je daar?”
“ Hiat”, zegt ze en wijst naar Richard.
“ Ja Richard. Wat heeft ie bij zich?”
“ Tas”.
“ Ja, wat een grote tas. Waarom heb je die mee?”
“ Hoferen! “, glundert ze.
“ Ga je logeren? Wat leuk! “
“ Hij’s dood!!!”, roept ze enthousiast.
Sandra en ik kijken elkaar verbaasd aan. Neemt het gesprek hier een andere wending? Is er iemand overleden. Haalt zij dingen door elkaar of gaat dit nog over het logeren? Ons gezicht is één groot vraagteken. Eigenlijk gek, want we weten dat ze op Wijkersloot gaat logeren, maar dat verband hebben wij op dit punt nog niet gelegd.
“ Wat bedoel je Babetti?”
“ Hij’s dood!”, meldt ze ons weer enthousiast.
“ Hè? Wie is er dood?”
“ Nee, Hij’s dood”.
Wij geven het even op. Babette niet. Gedurende de ochtend horen we regelmatig “Hij’s dood”.
Pas als ik Geoffry zijn boterham geef en Babette nogmaals zegt : “ Hosé, hij’ s dood”, valt bij mij het kwartje. “O”, zeg ik tegen Sandra, ze bedoelt: “Wijkersloot”. “ Ja!!!”, roept Babette: “ Hij’s dood”. Even is het stil. Dan spuugt Geoffry zijn brood uit van het lachen. Hij woont namelijk permanent op “Hij’s dood”.
Seinen
We zitten aan tafel en eten. Sandra helpt Quincy en Suzanne. Ik help Nadine. Geoffry zit aan mijn rechterkant, die wordt zo opgehaald en eet thuis op Wijkersloot. Naast hem zit Suzanne. Nadine en ik concentreren ons op het eten. Het lukt haar al om in twintig minuten twee boterhammen netjes naar binnen te werken. Ze is een kanjer.
Terwijl we zo ingespannen bezig zijn voel ik ogen prikken in mijn rug. Als vanzelf draai ik me om en… kijk recht in de blauwe ogen van Suzanne. Oogcontact. Suzanne moet erom lachen en ik ook. Op deze manier roept ze me wel vaker.
“ Suzanne, zit jij naar mij te seinen?”. Haar lach wordt nog breder. “ Suzanne seint naar mij”, zeg ik tegen Nadine en Geoffry. Ze zijn meteen alert. “ Weet je hoe ze dat doet?”. Nee, dat weten ze niet. “ Ze kijkt me strak aan en houdt dat net zolang vol totdat ik haar ogen voel prikken en terug kijk. Zo roept ze me soms.” Nadine wijst naar Suzanne en knikt bevestigend: “ Ja zo doet ze dat soms”. Geoffry zegt niks, maar ik zie aan zijn gezicht dat hij het een interessant gegeven vindt.
We gaan door met eten. plotseling hoor ik rechts van me Geoffry. Hij praat langzaam: “ Jo..sé, kijk..eens”. Ik kijk om, Geoffry kijkt strak terug:” Ik..zit..naar jou…te…seinen”. “ O, goed dat je het zegt Geof, ik had je ogen nog niet voelen prikken”, zeg ik lachend.
Dan komt Nadine in actie. Iedere keer als ze een stukje brood op heeft en ik niet op tijd kijk begint ze te seinen. Dat betekent dat ze met haar gezicht heel dicht bij het mijne komt en me op een vreselijk enge manier fixeert met haar ogen. Ik roep verschrikt: “ Nadine, hou op! Ik vind je eng zo! “ Olie op het vuur. Na elk stukje brood krijg ik deze behandeling. Fantastisch om je juf zo bang te maken. Ze krijgt de lachers op haar hand. Babette die het tot nu toe van een afstandje heeft bekeken roept: “ Hosé! Heinen!” “ O nee hè? Ga jij nu ook al naar me seinen?” “ Jaha!”, roept ze.
Ben ik dan nergens meer veilig?
Terwijl we zo ingespannen bezig zijn voel ik ogen prikken in mijn rug. Als vanzelf draai ik me om en… kijk recht in de blauwe ogen van Suzanne. Oogcontact. Suzanne moet erom lachen en ik ook. Op deze manier roept ze me wel vaker.
“ Suzanne, zit jij naar mij te seinen?”. Haar lach wordt nog breder. “ Suzanne seint naar mij”, zeg ik tegen Nadine en Geoffry. Ze zijn meteen alert. “ Weet je hoe ze dat doet?”. Nee, dat weten ze niet. “ Ze kijkt me strak aan en houdt dat net zolang vol totdat ik haar ogen voel prikken en terug kijk. Zo roept ze me soms.” Nadine wijst naar Suzanne en knikt bevestigend: “ Ja zo doet ze dat soms”. Geoffry zegt niks, maar ik zie aan zijn gezicht dat hij het een interessant gegeven vindt.
We gaan door met eten. plotseling hoor ik rechts van me Geoffry. Hij praat langzaam: “ Jo..sé, kijk..eens”. Ik kijk om, Geoffry kijkt strak terug:” Ik..zit..naar jou…te…seinen”. “ O, goed dat je het zegt Geof, ik had je ogen nog niet voelen prikken”, zeg ik lachend.
Dan komt Nadine in actie. Iedere keer als ze een stukje brood op heeft en ik niet op tijd kijk begint ze te seinen. Dat betekent dat ze met haar gezicht heel dicht bij het mijne komt en me op een vreselijk enge manier fixeert met haar ogen. Ik roep verschrikt: “ Nadine, hou op! Ik vind je eng zo! “ Olie op het vuur. Na elk stukje brood krijg ik deze behandeling. Fantastisch om je juf zo bang te maken. Ze krijgt de lachers op haar hand. Babette die het tot nu toe van een afstandje heeft bekeken roept: “ Hosé! Heinen!” “ O nee hè? Ga jij nu ook al naar me seinen?” “ Jaha!”, roept ze.
Ben ik dan nergens meer veilig?
Abonneren op:
Posts (Atom)
