zaterdag 24 augustus 2013

Zij is er niet



Plotseling zie ik haar ring op tafel liggen en slaat de realiteit als de bliksem in. Ze hebben hem haar afgedaan. Paniek maakt zich van mij meester. Dit is verkeerd. Die ring, zonder haar. Dat trek ik niet. Ik wil met haar mee waarheen ze ook gaat.
“Als ik dood ben, huil er maar niet om hoor”, zegt ze met een lachend gezicht, “want dan zie ik AL-LES!” Ze maakt met haar armen een wijds bevrijdend gebaar. Ik weet dat ze gelijk heeft en ik wil natuurlijk niet dat ze me ziet huilen, maar door die ring breek ik in stukken uiteen. Ik zak weg in een duistere verlatenheid die zijn weerga niet kent. Wanhopig zoek ik haar. Innerlijk roep ik haar. Er komt niets. Zij is er niet meer.
Twee jaar later sta ik in haar appartement. Het kost me moeite daar te zijn. Alles daar is zielloos zonder haar. De slaapkamer is al verbouwd. Het lijkt in niets meer op de oude vrouwenkamer die het ooit was. De woonkamer is nog hetzelfde. De orchideeën in de vensterbank bloeien alsof ze jubelen “Kijk ons eens, wij bloeien wel door met of zonder haar”. Ieder porseleinen kattenbeeldje krast aan mijn verdriet als een gloednieuw schuursponsje op autolak. Ooit hield ik van deze dingen in dit appartement, want zij zat op die stoelen aan die tafel. Zij stofte de kattenbeeldjes af en verzorgde de orchideeën. Zonder haar zijn deze dingen gewoon dingen. Kale lege zielloze stille dingen.
Het is zo stil sinds zij er niet meer is. Innerlijk roep ik haar. Ik smeek haar om een teken. Er komt niets. Zij is er niet.
“Wil jij hier nog wat van uitkiezen? Het zijn alle sieraden van oma. Mama en ik hebben al wat dingen verdeeld. Kijk gerust of er wat voor je bij zit”. Mijn tante geeft me twee jaren vijftig etuis met een rits. Bewaarde oma hier haar sieraden in? Nooit geweten.
Op het moment dat ik het bovenste etui open doe dwarrelt er iets uit. Het landt voor me op tafel. Ik draai het om en zie een fotootje van mijzelf, een mollige jaren 70 kleuter met een schattig jurkje aan en groene strikjes in het haar. Een spoor van kippenvel trekt door mijn lichaam en ik voel haar. Zij is helemaal om mij heen. Ik hoor haar “Wat vind je daar nou van?” vraagt ze en “Je kunt je wel slap lachen”. Twee van haar gevleugelde uitspraken.  Ze grinnikt om mijn verrastheid. Ik zie haar. De twinkeling in haar ogen die ze altijd had vooral op momenten zoals dit als ze een, volgens haarzelf , goede grap had uitgehaald. Dit is echt haar moment. De diva in volle glorie. Ze omringt me met haar liefde, tilt me op. Samen zwieren we rond. “Zie je”, zegt ze, “ zo heb ik je altijd bewaard. Bij alles wat me het meeste dierbaar was. Daar hoor jij thuis".

zondag 23 september 2012

Tasje


Het is bijna Moederdag en ik weet het perfecte cadeau voor mijn moeder. Ik ga een tasje voor haar haken, een rond tasje voor bij haar witte rok met rode strepen. Eigenlijk heb ik het liefst dat mijn moeder altijd in rokken of jurken rondloopt. Het maakt haar nog mooier en wie wil er nou niet mooi zijn? Toch draagt ze ze maar heel weinig. Jammer. Als ze een mooi zelfgehaakt tasje krijgt dan moet ze wel vaker die mooie rok met rode strepen aan. Wat een briljant idee van mij! Ik begin meteen met een restje rode wol dat ik nog had. Ja ja dit wordt echt leuk hoor!
Wacht eens! Ik koop een rolletje Rang voor haar en dat doe ik dan in het tasje. Zo wordt ze dubbel verrast. Met een tevreden gevoel over mezelf maak ik het tasje af. Voor een gulden koop ik een rolletje Rang en dat doe ik in het tasje. Het tasje verstop ik in mijn kast. Ziezo. Klaar. Nog maar een paar dagen te gaan tot Moederdag. Dit gaat leuk worden!
Die avond kan ik de slaap niet vatten. Het tasje met het rolletje Rang blijft maar rondspoken in mijn hoofd. Ik vind Rang ook heel lekker, maar kan er natuurlijk niet eentje nemen want dan is het rolletje aangebroken en daar kun je op Moederdag niet mee aankomen. Ik woel en ik draai. Ineens weet ik het. Als ik de snoepjes nou los in het tasje doe dan kan ik er best eentje nemen, want dat valt dan niet meer op. Zo doe ik het. De dagen tot Moederdag verzin ik steeds een excuus om een Rangetje te nemen tot er nog maar vijf over zijn. Vindt ze vast niet erg. Op Moederdag geef ik haar het tasje. Ze is er zo blij mee dat ze de ontbrekende Rangetjes niet echt mist. Ze moet er zelfs om lachen dat ze weg zijn.
Die avond trekt ze haar witte rok met rode strepen aan omdat ze uit gaat met mijn vader. Ze neemt mijn rode tasje ook mee. Het staat er perfect bij en maakt haar nog mooier dan ze al is.

vrijdag 20 juli 2012

Tante Bep




“Ah! Gatsie! Nee hè! Ze is links. Nou dat kan ik niet hoor. Dat moet jij maar doen, Bep!” Boven mijn hoofd ontspint zich een discussie tussen juf Marskamp en tante Bep over het feit dat ik links ben. Soms schrikken mensen daarvan. Soms worden ze zelfs boos. Omgekeerd schrik ik nooit van mensen die rechts zijn en ik word er ook nooit boos om. Ik ga ervan uit dat ze niet expres rechtshandig zijn. Ik ben ook maar per ongeluk links. Juf Marskamp is boos omdat ik links ben. Zo kan ze me natuurlijk nooit leren haken. Eigenlijk is juf Marskamp altijd boos, maar ik maak het nu wat erger door links te zijn. Tante Bep is geen echte juf, ze is mijn overbuurvrouw en ze is lief. Altijd. Juf Marskamp beent weg naar de andere kinderen die rechts zijn en makkelijk. Ik ben links en moeilijk, maar daardoor zit ik hier nu wel alleen met tante Bep. Toch mazzel.  “Nou meid”, zegt tante Bep “Ik weet het ook niet. Ik kan niet links haken. Weet je wat? Ik doe het maar gewoon voor met rechts en dan moet jij maar proberen om het met links na te doen. Zo doen we het en vanaf de eerste lus ben ik verkocht. Lossen worden een ketting, vasten worden een lapje. Hoe leuk kan dit nog worden? Binnen tien minuten heb ik het door en haak ik dat het een lieve lust is. Ik heb totaal geen oog meer voor mijn omgeving. Het is de haaknaald, het garen en ik. De rest bestaat niet meer. Als juf Marskamp zegt dat het tijd is om te stoppen wil ik dat niet. Toch doe ik wat ze zegt. Ze vindt me al vervelend genoeg.
Eenmaal thuis ga ik door met haken,ik  ga er helemaal in op en leer zoveel bij. Regelmatig ga ik met mijn haakwerkje naar tante Bep om iets te vragen of gewoon om het te laten zien. “Meid! Heb jij dat helemaal zelf gemaakt? Wat knap!” Het voelt goed om zo toegejuicht te worden. Mijn vader kan ook goed haken. Hij zou me makkelijk kunnen helpen, maar tante Bep juicht harder. Ik kies tante Bep en ga zo vaak mogelijk naar haar toe. “Ik vind het heel knap dat je dat kunt met je linkerhand”, zegt ze. Ik vind het zelf niet bijzonder knap dat ik dingen kan doen met mijn linkerhand. Het zijn vaak volwassenen die het moeilijk vinden. Ik vind het niet moeilijk om links te zijn en bovendien heeft het mij tot nu toe alleen maar voordeel opgeleverd.
Met dank aan tante Bep.

Soms, als je even de tijd neemt om een kind iets te leren, zoals tante Bep, kunnen er leuke dingen gebeuren. Mijn eerste haakboekje is verschenen in oktober 2012 :-)

vrijdag 30 december 2011

Tien kammen

"Staat die op mij te wachten?", vraag ik mijn tante. Ik wijs naar de beautycase van mijn oma. "Ja, ik heb alles gelaten zoals het was en er nog wat dingetjes in gedaan. Zelfs haar baardkrabber zit er nog in." Baardkrabber? Zou het daarom zijn dat ik mijn oma nooit met een baard heb gezien? Eenmaal thuis sta ik met een oranje microvezel doekje naast de beautycase. Eerst aai ik wat met het doekje aan de buitenkant, die niet echt vies is. Dan doe ik de beautycase open. Haar geur komt me tegemoet. De binnenkant is vies, al vind ik dat geen passend woord. De beautycase is gebruikt. Elke dag maakte ze zich op. "Het is maar een kleine moeite en je voelt je meteen veel beter". Haar stof zit in de beautycase en haar stof is niet vies. Alles van haar is lief. Ik wil het niet wegpoetsen, maar doe het toch. Alles haal ik eruit; haar make-up, haar crèmetjes en tien kammen. Tien kammen, oma? "Je weet maar nooit wat voor tijden er nog komen", zou ze gezegd hebben. Als er nog eens een wereldoorlog zou uitbreken dan had zij tenminste genoeg kammen. Je weet nooit hoe die nog van pas kunnen komen.
"Ach José, als ik dood ben huil er maar niet om hoor, want dan zie ik AL-LES!" Ze maakt een wijds gebaar met haar armen en kijkt erbij alsof dat een groot feest is. Ik geloof haar en ik gun het haar. Toch wil ik nu weer huilen als een douche, maar doe het niet. Ik ruim op. Haar spullen eruit en mijn spullen erin. Zo simpel zou het kunnen zijn. Zo simpel is het niet. Ik pak haar haarborstel met een kluwentje mooi wit haar er nog in. Een deel van mij wil zich voor altijd aan dat lieve kluwentje haar vastklampen en nooit meer loslaten. Ik doe wat van mijn spullen in de beautycase. Een gevoel van wanhoop trekt een spoor door mijn lichaam. "O nee, o nee, mijn spullen in haar beautycase. Dat is zo verkeerd..." Ik moet bijna overgeven en bedenk een compromis. Onze spullen passen samen in de beautycase. Ik doe een mislukte poging. Het past niet. Ik moet wat spullen laten gaan. In het aparte make-up doosje met spiegel zitten twee vakjes. In het ene doe ik mijn make-up en in het andere bewaar ik haar rouge, ogenschaduw en wenkbrauw potlood. Ook haar baardkrabber, een nagelvijl en sierkam bewaar ik. Zo moet het maar.
S nachts komen toch weer de tranen. Ik wil niet dat die beautycase bij mij staat. Ik wil dat hij bij haar is, met haar spullen erin. Ik wil dat zij erin rommelt en zich opmaakt. Toch ben ik ook blij met de beautycase. Hij zal me eraan herinneren goed voor mezelf te zorgen zoals zij dat deed. Ik wil zijn zoals zij.
Vanaf morgen zal ik degene zijn die erin rommelt. Vanaf morgen ben ik degene die zich elke dag zal opmaken, want zij ziet AL-LES!

vrijdag 27 mei 2011

maandag 24 januari 2011

Licht

Het is stil, heel stil in onze klas. Wij eten. Wij zijn gefocussed. De startknop van Geoffry’s elro doorbreekt de stilte. Langzaam stuurt hij zijn elro achteruit van tafel en rijdt naar het lichtknopje. Wij hebben niks door. Zijn arm gaat moeizaam omhoog richting het lichtknopje. Doordat hij eigenlijk erg moet lachen, maar dat niet te openlijk wil doen, valt zijn arm terug op het blad. Wij hebben niks door. Keer op keer reikt zijn arm naar het knopje totdat…het licht uit gaat. “Hee!!!”, roep ik. Verschrikt kijken Sandra en ik elkaar aan. Onze leerlingen, die natuurlijk alles doorhebben, zijn door het dolle. “Het licht!?!”, zeg ik tegen Sandra, “Wie doet dat?”. Om ons heen stuiteren de leerlingen in het rond en wijzen naar Geoffry. Het wordt nog leuker als ik Geoffry met veel theater bij het knopje weghaal “Wat moet dat daar bij dat licht!!! Potverdriedubbeltjes!!! Weg daar!”. Als Geoffry weer bij tafel staat eten we verder. Dan start Babette haar elro, bonkt drie keer tegen de tafel en neemt onderweg naar het lichtknopje met haar elro het computermeubel mee terwijl ze roept “Hosé!! Hicht uit”. Wij hebben voor de vorm niks door. Met een enorme pets dreunt ze het licht uit en we spelen het spel van voren af aan. “Weg jij, bij dat licht!! Schurkekop!!!” Als Babette aan tafel zit staat Nesile op. Met haar looprek rent ze richting het knopje. Rammel schuif ratel. Rammel schuif ratel. Wij hebben niks door. Eenmaal op de plaats van bestemming gebaart ze naar de onzichtbare vrienden dat ze het licht uit gaat doen. Allemaal opletten, jongens! Dit wordt lachen! En jawel,… het licht gaat weer uit. Sandra en ik spelen onze rol met verve. Dan gaat Nadine schuddend van plezier naar het knopje en dan Quincy en iedere keer overvalt het ons als het licht uit gaat. Het plezier in de groep weerkaatst tegen de muren en komt duizenvoudig bij ons terug. Dit spel kan doorgespeeld worden tot in de eeuwigheid.
“Zo jongens, nu is het even klaar hoor…” Onze leerlingen denken daar anders over en wijzen als één man naar Suzanne. Zij kan niet zelf naar het lichtknopje gaan. “O”, zeg ik tegen Sandra, “Volgens mij wil Suzanne ook naar het lichtknopje”. Suzanne strekt zich van plezier en kijkt stralend naar Sandra.
“OK, suus”, zegt Sandra en zet haar bij het lichtknopje neer. Suzanne giert het uit als Nadine haar arm naar het lichtknopje hijst.
Wij hebben niks door.

zondag 12 september 2010

Onderbroek

Op een nacht word ik wakker en weet ik niet waar ik ben. Het is donker en het bed waarin ik lig is nat. Iemand moet me komen helpen. Ik wil mijn moeder of mijn vader, maar ik weet niet of zij er zijn. Plotseling zie ik dat ik bij mijn oma ben. Zijn papa en mama ook hier? Ik weet het niet meer en begin maar vast te huilen. Ben ik hier helemaal alleen? Een nat bed is niet goed. Iemand zal boos op me zijn. Als er iemand komt. Ik huil wat harder. Het vooruitzicht dat er iemand komt om mij te helpen met dat natte bed vind ik ineens niet zo aantrekkelijk meer. Papa en mama slapen en zullen wakker worden door mijn gehuil. Als zij hier tenminste ook zijn. Zij slapen liever ’s nachts en hebben geen zin in een nat bed. Toch huil ik nu heel hard en roep om mijn moeder en mijn vader. Omstebeurt. Ik zet me alvast schrap om een hoop irritatie in ontvangst te nemen.
Dan gaat de deur open en… mijn oma komt binnen! Ze ziet er verfrommeld en slaperig uit. De donkere logeerkamer licht op bij haar entree. Ik hou nog een slag om de arm, is ze boos?
“Ach wicht, dat geeft toch niet”, neuriënd en ontspannen verschoont ze het bed. Ik sta ernaast en kijk hoe ze dat doet. Ik hou van haar.
“Nog even blijven staan. Ik moet even naar beneden om een schone onderbroek voor jou te zoeken”.
Ze komt terug met een gloednieuwe onderbroek. Wit met groene figuurtjes en een oranje kantje. Het is de mooiste onderbroek die ik ooit heb gezien en ik mag hem houden.
Dertig jaar later zit ik naast haar bed. “Ik weet soms even niet waar ik ben”, zegt ze “Heb jij dat ook wel eens?”. Ze moet lachen om haar eigen warrigheid. Soms gelooft ze ineens niet dat ze in haar eigen slaapkamer ligt. Ze ziet de lamp aan het plafond, kijkt me verheugd aan zegt:”Wat leuk! zo’n lamp heb ik ook in mijn slaapkamer”. Gelukkig zijn de heldere momenten weer aan de winnende hand. Het gaat elke dag een beetje beter. Neuriënd maak ik haar eten klaar. Ontspannen help ik haar samen met mijn tante in een schone pant. “Het lichaam is een wonderlijk iets”. Tevreden kijkt ze naar haar lijf onder de dekens. “Dit lichaam gaat al 91 jaar mee en het herstelt zich iedere keer weer. Een wonder, José!” “Ik ga de eeuw nog volmaken hoor”…
Ik zit naast haar bed en brei. Zij zingt, lacht en vertelt.
Ik hou van haar.